Wiesje

Wiesje
 

Voor jou is het in maart al zomer. 

Daarom bracht ik vannacht, op jouw verlangen, de dahlia’s naar beneden. 

Ze hadden de winter op oktoberkranten overleefd, lagen in mijn krat       

als zanderige, in elkaar gehaakte kreeften.

Beloften dragen ver en wegen zwaar. 

Ik zag de tegenwind aan kinderen op weg naar school, uniform 

over hun stuur gebogen. En aan je was die strak te drogen hing.

Het regende bomenstof. Alle geluid stond uit.

Ook je visioenen blijken tegen mij gekant.  

Ze spotten met verleden tijd in de vorm van glasgordijnen, grint en gras. 

Je latrine met het hartje was bungalow geworden. Nergens vond ik grond     

genoeg om je dahlia’s te planten.  

Jacqueline Legierse