Zit mijn haar wel goed?

Verhaal van Ada

Grote bruine handen pakken mijn hoofd vast. Grote bruine handen met aandoenlijk roze handpalmen. Ik lig met mijn hoofd achterover op een nogal hinderlijke harde rand. Uit mijn ooghoeken zie ik de bruine grote beringde vingers die nogmaals mijn hoofd omklemmen en mijn hersenpan een paar millimeter omhoog tillen. Opvallend zijn de witte nagels die tegen het bruin afsteken. De handen gaan vervolgens met een masserende beweging door mijn haar waarbij het overmatige waterschuim in straaltjes mijn nek inloopt. Een van de nagels is te kort afgeknipt wat een wondje heeft achtergelaten. Een velletje steekt omhoog bij de nagelriem van de wijsvinger. Ik zou het er eigenlijk best wel van af willen pulken. Na het zorgvuldig drogen met de handdoek gaan de dikke vingers in de ogen van de schaar en behendig wordt mij een modern kapsel aangemeten. Zoete herinneringen toen we nog gewoon naar de kapper konden in het pre-corona tijdperk. Hier zit ik nu, met een uit de hand gelopen hoofd, mijn handen in het haar en alle kapperszaken gesloten. Ondertussen groeit mijn haar gewoon door.

Het is altijd een vrolijke boel bij Oscar, mijn kapper. Ik kom er al heel veel jaar. Hij was pas begonnen, was goedkoop en zat in de buurt. Later verhuisde hij naar de rand van de stad, een groter en duurder pand en hogere prijzen. Maar ik haakte niet af, gezelligheid heeft ook een prijs. Soms moet hij zo om mij lachen dat hij een keer vroeg of ik niet af een toe gewoon even langs kan komen, iets roepen en dan weer weggaan. ‘Ik ruik hier een verdienmodel’ zei ik hem.

Overleden huisgenoot F. Ging altijd naar ‘de Marokkaan’, zoals hij dat zelf zei, min of meer om de hoek. De zaak zat altijd vol met Marokkanen die niet voor een knipbeurt kwamen maar voor de gezelligheid thee zaten te drinken. F. werd altijd geknipt door de eigenaar. Als er klanten waren, kreeg hij voorrang en als de eigenaar niet aanwezig was, werd hij gebeld en kwam alsnog naar beneden, vanuit zijn huis boven. Er woedden dikwijls discussies in de kapperszaak met al die theedrinkende Marokkanen. Op een gegeven moment was F. het zo beu, omdat hij er niets van verstond. ‘Hebben jullie het over mij?’, vroeg F. korzelig. Nee het ging over het geloof, over een punt dat een komma moest zijn, of andersom en dat de tekst daardoor ineens een andere lading kreeg in de Koran. Vanaf die tijd werden de discussies in het Nederlands gevoerd als F. binnenkwam. Toen F. ziek werd, werden alle sluizen van medemenselijkheid opengegooid. F. werd direct geholpen en als de eigenaar iemand anders aan het knippen was, werd dat overgenomen door een medewerker. F. werd omhelsd, de kapper moest huilen en hij zou voor hem bidden. ‘Ik hou van jou met heel mijn hart, ik bid voor jou. Ik kom naar jou toe als je niet meer naar mij kunt komen.’

En nu knip ik dus zelf mijn haar. Met blinde ogen, brilloos, met de wastafel tussen mij en de spiegel pak ik plukken haar beet en knip rigoureus de pluimen tot een aanvaardbare hoogte. Ik gok een beetje, het hoeft niet netjes, maar wel iets korter zodat het me niet meer irriteert. Ook de zijkanten krijgen fluks een beurt. Ik knip er lustig op los. Daarna was ik het en smeer er veel schuimversteviger, wax, nou ja alles wat ik in huis heb, in mijn haar. En dan begint het betere haarboetseren. Ik duw en trek, ik verschuif een haar, en weer terug. Het nadeel is dat ik de rest van de dag bezig ben met mijn haar, want iedere keer zie ik een pluim de kop opsteken, waar ik hem niet wil hebben. Maar dat los ik gewoon op met de huishoudschaar.